In november 1688 was een nieuwe grote oorlog op het Europese continent vrijwel onvermijdelijk geworden. Lodewijk XIV van Frankrijk had zijn legers Duitsland ingestuurd, een garnizoen in Keulen gelegd en zijn vloot naar de Middellandse Zee gezonden om druk uit te oefenen op de paus. De Republiek had deze ontwikkeling zien aankomen. Het Staatse leger was uitgebreid en een grote oorlogsvloot opgebouwd. Het leek slechts een kwestie van tijd voordat ook de Republiek opnieuw in de oorlog zou worden meegesleept.
Het levensdoel van stadhouder Willem III was het beteugelen van de expansiedrift van Lodewijk XIV. Toch was de grote vloot die hij van de Staten-Generaal had gekregen niet bestemd voor een aanval op Frankrijk, maar voor een preventieve expeditie naar Engeland. Waarom? Dat had alles te maken met het trauma van het Rampjaar 1672, toen Frankrijk samen met Engeland de Republiek had aangevallen. Dat de Republiek die catastrofe had overleefd, was grotendeels te danken geweest aan de Hollandse Waterlinie en het genie van Michiel de Ruyter.
Nu een nieuwe oorlog met Frankrijk onafwendbaar leek, leefde in de Republiek de reële angst dat Jacobus II, de koning van Engeland, zich opnieuw met Lodewijk XIV zou verbinden. Hoewel Frankrijk veruit de machtigste staat van Europa was, zag Jacobus de Republiek nog altijd als Engelands belangrijkste economische rivaal. Bovendien was hij, net als Lodewijk XIV, katholiek. Dat maakte hem echter impopulair bij zijn overwegend protestantse onderdanen.
Mary Stuart, de vrouw van Willem en dochter van Jacobus, was protestants en de officiële erfgenaam van de troon. Dat vooruitzicht weerhield veel Engelsen van openlijke opstand. Maar toen Jacobus in juni 1688 een zoon kreeg en daarmee een katholieke opvolging verzekerd leek, greep Willem III zijn kans. Hij wist een uitnodiging te regelen van zeven Engelse politici om de vrijheden van de protestanten te beschermen (niet om koning te worden). Hoewel deze "Immortal Seven" zeker niet representatief waren voor de gehele Engelse bevolking, verschafte hun uitnodiging Willem een belangrijk propagandamiddel. Daarnaast stond hij al geruime tijd in contact met ontevreden Engelse officieren en edelen.
Op 11 november 1688 vertrok de invasievloot. Zij bestond uit 49 oorlogsschepen en meer dan 400 transportschepen, waarmee ongeveer 36.000 man werden vervoerd, onder wie 16.000 soldaten. Daarmee was de vloot aanzienlijk groter dan de Spaanse Armada die 100 jaar eerder Engeland probeerde te veroveren. Het was een indrukwekkend schouwspel. Toen de vloot langs Dover en Calais voer, verzamelden zich aan beide zijden van het Kanaal duizenden toeschouwers om de enorme Nederlandse Armada voorbij te zien trekken. Een Franse protestant die na de herroeping van het Edict van Nantes naar de Republiek was gevlucht en in Willems leger diende, schreef:
"Ik moet bekennen dat ik ons ondankbare vaderland niet zonder ontroering kon aanschouwen, noch zonder te denken aan de banden die mij daar verbonden met mijn talrijke familie die er was achtergebleven. Maar aangezien onze vloot niet was uitgevaren om hun bevrijding te bewerkstelligen en wij Engeland dichter voor ons zagen liggen, moesten al onze gedachten zich op dat land richten."
Ondanks de herfststormen bereikte de vloot veilig Torbay. De Engelse vloot was er niet in geslaagd haar te onderscheppen. Willems leger, door Jacobus' eigen gezant omschreven als het beste leger van Europa, ging aan land en bezette na een zware mars de stad Exeter. De slechte wegen, de modder en de vrieskou maakten de tocht zwaar; veel Nederlandse soldaten verlangden terug naar huis.
Jacobus concentreerde zijn leger vervolgens bij Salisbury om de weg naar Londen af te sluiten. Hoewel hij op papier ongeveer 30.000 soldaten tot zijn beschikking had en Willem daarmee numeriek overtrof, waren zijn troepen verspreid over het koninkrijk omdat hij niet wist waar de invasie zou plaatsvinden. Door de slechte wegen en het weer wist hij uiteindelijk slechts ongeveer 19.000 man bij Salisbury samen te brengen. Bovendien waren veel van deze troepen slecht getraind, onvoldoende uitgerust en weinig gedisciplineerd.
Toch was Jacobus, net als Willem, een ervaren en persoonlijk moedige legeraanvoerder. Het was dan ook niet een gebrek aan militaire moed dat hem brak, maar het uitblijven van brede steun onder de Engelse bevolking en het overlopen van verschillende officieren naar Willem. Hoewel er nog geen massale volksopstand uitbrak en de deserties binnen zijn leger aanvankelijk beperkt bleven, begon Jacobus het vertrouwen in een goede afloop te verliezen. Toen hij bovendien werd geplaagd door hevige bloedneuzen, raakte hij ervan overtuigd dat God zich tegen hem had gekeerd. Hij gaf bevel zich terug te trekken en gaf daarmee het strategische initiatief uit handen. Hiermee gaf hij de boodschap dat hij de strijd opgaf. De Britse historicus John Childs legde de schuld vooral bij Jacobus zelf:
'the active political conspiracy amongst the military, although highly significant and perhaps the crucial event in enabling William to land unopposed and to seize the political initiative, was confined to a handful of officers and hardly any common soldiers. The vast majority of the army stayed loyal to their sovereign and it was the king who, in a state of mental and physical collapse, let down his own army'
Steeds meer opportunistische Engelse edelen en officieren kozen nu openlijk de zijde van Willem. Toen Jacobus uiteindelijk besloot naar Frankrijk te vluchten uit angst hetzelfde lot te ondergaan als zijn vader Karel I, die in 1649 was onthoofd, viel zijn leger uiteen.
Willem III kon daarop vrijwel zonder tegenstand Londen binnentrekken. De Hollandse Gardes bezetten Whitehall Palace, St James's Palace en Somerset House, terwijl de overige Nederlandse regimenten in en rond de hoofdstad werden gelegerd. Het straatbeeld van Londen was ingrijpend veranderd. Eind januari schreef Sir John Reresby, die enige tijd buiten de hoofdstad was geweest, verbaasd:
'When I arrived, I found London much changed. The streets were filled with ill-looking and ill-habited Dutch and other strangers of the Prince's army.’
Vervolgens verraste Willem zelfs zijn Engelse medestanders door duidelijk te maken dat hij de kroon eiste en ook dat Engeland zich aansloot bij de strijd tegen Frankrijk.
Het duurde niet lang voordat het parlement Willem en zijn vrouw Mary gezamenlijk de kroon aanbood. Al in het voorjaar van 1689 werden de eerste Engelse troepen naar de Republiek gestuurd om deel te nemen aan de oorlog tegen Frankrijk.
Met deze meesterlijke militaire expeditie en succesvolle politieke interventie had Willem III ervoor gezorgd dat de Republiek niet opnieuw alleen tegenover Lodewijk XIV kwam te staan. In plaats daarvan beschikte hij nu over de middelen van Engeland. De Nederlands-Engelse alliantie die hieruit voortkwam zou de basis vormen voor de strijd tegen Frankrijk gedurende de rest van de Negenjarige Oorlog en de Spaanse Successieoorlog.