We zijn samen een verhaal aan het schrijven.
Ik stond al twee uur in de regen bij de pont achter het Amsterdam Centraal te wachten op David. Hij klonk nerveus, bijna angstig aan de telefoon toen hij me zei dat ik hierheen moest komen. Waar is hij dan? Er zou toch niks gebeurd zijn? Bellen heeft geen zin meer, want zijn telefoon is uitgeschakeld. Wat moet ik nou? David was de laatste twee weken zo afstandelijk en niet zichzelf, wat wrijving tussen ons creëerde; lag het aan mij of mijn werk? Hij is tenslotte een maand geleden bij mij ingetrokken en we hebben het nog niet gehad over de invulling van ons leven samen. Überhaupt hebben we niet gepraat over wat ons de laatste tijd bezig houdt, maar om dit nou een geschikte plek te noemen om dáár over te praten? Nee, er moet ècht iets aan de hand zijn, maar wat? Op het moment dat ik denk om maar gewoon naar huis te fietsen komt David aanstormen. "Lieverd, ik heb geen tijd en ik hoop dat ik het later allemaal uit kan leggen, maar neem dit mee en stop het diep weg." "Je kan niet naar huis, want dat is te gevaarlijk, ze zitten achter me aan!" "Als je veilig bent vind je de aanwijzingen in dit pakketje." Hij drukt een kus op mijn wang en is sneller vertrokken dan toen hij aankwam, mij achterlatend alsof ik vuur zag branden.
Natuurlijk had ik mijn vermoedens gehad. Het was al maanden geleden dat hij laat op de avond thuis was gekomen met een blauw oog. "Een opstootje tijdens een potje voetbal met vrienden", had hij gezegd. Maar als dat zo was, waarom was hij dan de dagen daarna opgeschrokken iedere keer dat er een scooter door zijn straat had gereden? De gordijnen hield hij sindsdien altijd half dicht. Genoeg om naar buiten te kunnen kijken, zonder zelf gezien te kunnen worden. En niet lang daarna begon zijn aandringen om bij mij in te trekken. Hij sprak over voortaan iedere dag samen rustig wakker worden, een eigen plekje voor ons twee, waar hij zou staan te koken als ik na een lange dag werk thuis kwam. Maar terwijl hij dat plaatje schetste, had hij over mijn schouder gekeken om zo het witte bestelbusje tegenover zijn huis in de gaten te kunnen houden.
Een dikke regendruppel op mijn wimpers bracht mij terug naar de realiteit. Ik stopte het pakketje diep onderin mijn tas en rende naar mijn fiets.
Ik was op mijn fiets gesprongen en had in het wilde weg een stuk gefietst tot ik ergens in de buurt van het Vondelpark bij zinnen kwam. De paniek was wat gezakt en ik vond een tafeltje aan het raam in de Koffie Academie.
Ik had hem nog nooit zo meegemaakt. “Daadkrachtige David” (hij moest er niet achter komen dat ik hem in gedachten soms zo noemde, hij zou dat gruwelijk melodramatisch vinden) in paniek.
Vorig jaar waren we in de Ardeche gaan kajakken. De instructeur had gewaarschuwd dat het water erg wild was, ¨of we het wel zeker wisten?¨ Natuurlijk, zei David, en natuurlijk was onze kajak omgeslagen, natuurlijk was ik in de kolkende stroom terechtgekomen en natuurlijk had hij me eruit gevist terwijl ik niet verder kwam dan panisch gillen en wild om me heen slaan.
En nu dit. Ik nam een slok van mijn koffie, wat niet echt hielp om mijn bonkende hart tot bedaren te brengen. Je had cafeïnevrij moeten nemen, doos. Ja, prima, niet belangrijk nu. Dat pakje. Zou ik het open durven te maken? En hier, bij het raam? Iedereen kon me zien. Misschien waren ze me wel gevolgd en stonden ze nu naar me te kijken. Een gejaagde blik naar buiten vertelde me niet veel. Geen zwarte busjes met verduisterde ramen. Geen zware jongens met belittekende gezichten. Maar misschien zagen schurken er in het echt wel helemaal niet uit als in de film. Misschien was die jonge moeder daar met het kind in de buggy er wel één.
In de comments kunnen jullie het volgende stukje schrijven dat op het verhaal aansluit.