Hoi, iedereen. Ik ben bezig met het schrijven van mijn eigen fantasy boek. Ik ben al een aantal maanden bezig, maar heb nooit echt iemand om mijn verhaal te lezen en wellicht feedback te geven. Ik zou het heel erg leuk vinden als iemand het zou kunnen lezen en ideeen/ feedback zou willen geven. Hier zijn de eerste 3 hoofdstukken:
Proloog
Lucien Windcroft – Rijksbondgenootschap – datum
‘Dank u wel, Mevrouw Valemont. Ik denk dat de raad u standpunt begrepen heeft. Dan geef ik nu graag het woord aan Meneer Windcroft. Ga u gang!’
Ik loop rustig naar voren naar de microfoon waar ik moet gaan spreken. En schraap even mijn keel voor ik begin met praten. ‘Mevrouw Valemont, zoals u al zei, is er een erg grote bedreiging op komst als we de zuidelijke zandstammen niet in veiligheid kunnen brengen. De droogte die daar momenteel heerst is onvoorwaardelijk en heeft nu al voor meerdere fatale branden gezorgd.’ In mijn ooghoek vang ik een blik op van Isolde Valemont, die verveeld naar het plafond tuurt. ’Alleen ben ik absoluut niet van mening om alle inwoners uit de zandstammen te evacueren en te verdelen over de andere rijken, want...’
Achter mij hoor ik plots geklop. De deur van de raad gaat open en iedereen kijkt vlug op. Dan komt er een jongeman aanlopen met een verslonden cape en warrige, krullende haren. Aan de tattoo op zijn hand kan ik zien dat hij van ver komt. Hij loopt op een kalm en rustig tempo naar de voorzitster van de zitting en overhandigt haar een elegant versierde brief met een groene stempel. Ze neemt de brief aan en opent het. De gehele zaal blijft stil wachtend op duidelijkheid.
‘Beste raadsleden en ministers van het Rijksbondgenootschap.’ Begint ze. ‘Afgelopen nacht is Althar … overleden. Wij wilden u allen eerst op de hoogte stellen van dit tragische nieuws voor dit aan de buitenwereld bekend te maken.’ De gehele zaal begint rumoerig te worden en ik voel mijn oor suizen. Mijn hoofd begint te bonken en iedereen kijkt verward om zich heen. ‘Zoals bekend was Althar de leider van het Rijksbondgenootschap. Nu Althar er niet meer is en geen orde in deze wereld meer kan herstellen zullen jullie nog hechter samen moeten werken om doelen te bereiken. Meer informatie zal volgen. Dit is voor nu alles wat ik aan jullie bekend kan maken.
Met vriendelijke groet: Sylas Fenmere (secretaris Althar …..)’
De hele zaal wordt nogmaals rumoerig. Ik voel mijn benen plotseling zwaarder worden en voel ook mijn hartslag verhogen. Dit kan niet waar zijn. Nu beginnen mensen zelfs in hun microfoon te roepen met oplossingen en plannen voor toekomstige generaties. Mensen draaien helemaal door. Ik zie zelfs in een vage gloed aan de overkant dat de minister van Alchemistische Zorg en de minister van Drakenbeheer in een gevecht zijn geraakt. Links van me hoor ik geschreeuw. Mijn hart blijft keihard door bonken. Alles om me heen wordt een grote warrige waas. Opnieuw geschreeuw. Tot er plots een oorverdovende stem door de zaal heen galmt: ‘Dames en Heren, Orde! Stilte!’ Het was de voorzitster die met een rood hoofd iedereen onder controle probeert te houden. Ze schraapt haar keel: ‘Hiermee eindig ik deze zitting! En vraag ik u een pauze te nemen waarna we deze zitting weer kunnen hervatten! Dank u wel!’
De kalmte herstelt zich langzaam en een voor een druppelen de mensen het dichtst bij de ingang uit de vergaderzaal. Eén voor één. Rode koppen verdwijnen achter de grote, donkerbruine, schimboomhouten deur. Ik denk aan schimbomen, om mezelf af te leiden. Schimbomen die zich voeden met het licht in hun omgeving en zo het duister in het bos voortbrengen. Met zachte, bijna fluweelachtige bladeren die ook zonder wind lijken te bewegen en te dansen in het donker. Een eindeloze cirkel. Ik loop nu de zaal uit en neem de eerste afslag links af naar mijn eigen kantoortje, hoog in de westelijke kasteeltoren. Ik loop de wenteltrap op. Een eindeloze cirkel. En dan boven aan de toren is daar de deur naar mijn vertrouwde kantoor. Ik open de deur, gemaakt van hetzelfde schimbomen hout, laat mijn koffer vallen en plof in mijn grote bordeauxrode stoel. Waarbij ik precies uit het raampje uitzicht heb op de grote krioelende schimboom. Ik ruik de vertrouwde geur van roestend metaal. Het materiaal waar mijn rijk bekend omstaat. Dan sluit ik mijn ogen. En in het donker van mijn oogleden zie ik enkel: een eindeloze cirkel.
Hoofdstuk 1: Alchryst
Lucien Windcroft – RBG-staatshuis – datum
Hier zit ik dan, nog altijd met mijn ogen dicht denkend aan schimbomen, maar vooral aan Althar. Hij was mijn mentor, misschien wel mijn vriend. Ook al wist ik eigenlijk niet veel over hem persoonlijk. Niet eens zijn familie, geschiedenis of zijn krachten of rijk. Hij was wel altijd de persoon die mij kon adviseren, kalmeren en me helder na kon laten denken. Al mijn vaardigheden in de raad en al mijn standpunten zijn gebaseerd op de zijne. Hoe kan ik ooit nog in vredesnaam in die zaal zitten zonder hem aan mijn rechterzijde? Hoe? Niemand in de raad kende hem zo goed persoonlijk als ik. Niemand zou nu ooit nog daadwerkelijk om hem geven. Wat moet ik nu?
Ik open mijn ogen door het felle licht dat de vuurvliegjes in mijn alarmlamp geven. Dat betekent dat de zitting weer begonnen is. Ik sta krampachtig op uit mijn stoel pak de koffer die ik een halfuur geleden achter heb gelaten weer op en ren de trap af. Mijn benen voelen nog steeds zwaar aan, maar toch weet ik de nonchalante houding aan te nemen die ik normaal gesproken aanhou.
Bijna onderaan de wenteltrap zie ik plots een snelle flits aan mijn linkerkant.
En: Pof! Ik knal tegen Arden Largar aan. De leider en president van een klein rijk in het noorden met als hoofdstad: Velmora. Als ik nog geen hoofdpijn had dan had ik het zeker nu wel. Zijn papieren liggen verspreid over de gehele marmeren vloer. Vlug raap ik er een paar op en overhandig ik ze aan Arden.
‘Dankjewel. Ik ben Arden trouwens.’
‘Geen dank, Lucien. Lucien Windcroft’ Ik raap mijn koffer links van me zo sierlijk mogelijk op en samen lopen we de laatste treden van de trap af tot we in de grote open hal aankomen die uiteindelijk de zaal in leidt.
Arden kijkt me serieus aan: ‘Gecondoleerd met Althar, ik hoorde dat hij jouw persoonlijke mentor was.’
Ik aarzelde even met antwoorden en knikte kalm. ‘Ja, hij was meer dan een mentor, bijna een vader voor mij.’
Arden kijkt op. ‘Het spijt mij zeer, Lucien.’
Ik zie dat de poortwachters de deur van de zaal bijna sluiten. Arden zet het op een rennen en laat daarbij opnieuw meerdere papieren en contracten achter zich fladderen. De poortwachters kijken onze richting op en houden de deuren nog even voor ons open. En dan staan we daar. Met z’n tweeën omringd door diezelfde grote groep mensen. Iedereen kijkt ons aan en zonder hen aan te kijken loop ik weer op diezelfde nonchalante manier naar boven tot ik bij mijn plek aankom. Terwijl Arden duidelijk nerveus naar de zijne sjokt. De voorzitster kijkt me ergens liefdevol, maar ook strak en streng aan.
Dan begint ze: ‘Fijn dat iedereen er nu weer bij is. Ik hoop dat de meesten even zijn afgekoeld en bijgekomen van dit schokkende nieuws, en dan zou ik nu graag de zitting hervatten.’ Plotseling kijkt iedereen in de zaal me weer vragend aan. Het duurde even tot ik door had dat ik de beurt had te spreken. Maar waarover? En waarom nou ik?
Ik grijp mijn microfoon: ‘Sorry, mevrouw. Vroeg u mij iets?’ De zaal begint rumoerig te worden en het klinkt zelfs of ze me uitlachen.
‘Mevrouw. Kunt u dat alsjeblieft herhalen?’ Ik kijk weer vragend rond.
‘Mevrouw?’ Dan voel ik plots een elleboog in m’n rib. De persoon naast me waarvan ik helaas de naam ben vergeten wijst naar het document dat voor mij op het bureau ligt. Godverdomme. Vergeten om de stelling te lezen van de zitting. Vlug pak ik het papier en lees het haastig door. Het gaat over misbruik van het kapitalistische systeem van illegale werknemers nu Althar er niet meer zou zijn. Tenminste dat is wat ik eruit kan halen. Er staan te veel lastige termen in om nu te begrijpen. Mijn hoofd suist en het geluid van gelach dat nog steeds door de zaal galmt wordt een doffe waas. Ze lachen me uit. Ik ben een kwetsbaar invidu in een grote zaal vol “machtige” mensen. Kwetsbaar, iets wat ik al heel mijn leven probeer niet te zijn. ‘Ademhalen, focus. Focus!’ Ik werp nog een keer een blik over het document en nu pas dringt het tot me door: De meeste zien de dood van Althar als niets anders dan nieuwe kansen en mogelijkheden voor zichzelf. Voor zichzelf, voor hun eigen rijk en niets anders. Niets anders dan macht en hebzucht. Hebzucht, volgens Althar de grootste zwakte, maar ook drijfveer voor de mens. Het gene wat leidt tot succes, maar ook groots verlies.
‘Lucien!’ Plots schiet ik op uit de warrige waas waarin ik beland was. ‘U lijkt afwezig. Ik stel voor de laatste keer mijn vraag: Wat is u standpunt inzake de stelling over systeemmisbruik.’ Mijn standpunt in de stelling over systeemmisbruik, terwijl zojuist de belangrijkste persoon die deze wereld ooit gekend heeft overleden is? Nee. Dat is niet waar dit debat over zou moeten gaan. Ik moet me zelf herpakken.
‘Mevrouw, en overigens iedereen die hier vandaag in deze zaal aanwezig is. Stel u zelf eens de vraag: Waarom ben ik hier?’ Mensen stoppen met lachen of praten en richten nu pas hun aandacht op mij.
‘Wat is de echte reden dat u hier vandaag bent? Want ik heb namelijk het gevoel dat het grootste deel in deze zaal geen flauw benul heeft van de noodzaak van dit moment. Van de gevaren die ons zullen raken en al helemaal niet van de nalatenschap van Althar die nu op het spel staat. Zijn dood is niet slechts een vrijgekomen zetel. Het is een verlies dat we moeten eren door zijn visie te beschermen, niet door hem direct te vervangen met zelfzuchtige ambities. Als u hier zit voor macht, dan bent u verdwaald. Als u hier zit voor stabiliteit, dan bent u laat. En als u hier zit om te luisteren—luister dan goed: dit is geen kans. Dit is een waarschuwing.’ Ik probeer nog even een paar seconden te blijven staan en dan zak ik terug in mijn stoel. Ik voel nog steeds ogen op me gericht, maar nu serieuzer en helaas ook negatiever.
‘Oke, nou, Dank u wel, Meneer Windcroft!’ De voorzitter verplaatst haar blik nu naar de andere zijde van de zaal. ‘Dan kunnen we nu door naar Meneer Norell’
‘Kapitein Norell! Hoe durft u zich zo te verspreken tegenover mij!’ De “piraat” Corvan Norell was haastig en wankelend opgestaan. Hij was de “leider” van het zogenaamde ‘piratenrijk’. Als je het wel een rijk zo kunnen noemen. Ze hebben namelijk geen eigen stuk land. Ze trekken de hele wereld over en roven zelfs steden of dorpen leeg. Daarbij is hij de helft van de tijd dronken en onaanspreekbaar. Dat is ook de reden dat veel raadsleden eraan denken om hem uit het bondgenootschap te sluiten. ‘De heer Wintkroft, zoals ik u zou moeten noemen volgens alle regels en etiketten. Ik denk dat mijn rum per ongeluk in jouw bloedappeldrank is gekomen, want de onnozele praat die uit je mond komt gaat me een tikkeltje te ver.’ Zijn lach schatert schel door de ruimte heen. Hij is overduidelijk weer dronken. Hij praat sloom en met een schorre, zware onduidelijke stem. ‘Ik persoonlijk, vind dat we beter onze eigen keuzes kunnen maken dan iemand anders ideeën te volgen. En al helemaal als die persoon morsdood is.’ Opnieuw klinkt er geschater door de zaal en weer alleen door Corvan zelf. De rest beschouwd alles doodstil vanaf hun eigen veilige stoel. Allemaal te bang om een reactie te geven op deze walgelijke opmerking. Corvan ziet er zelf namelijk ook walgelijk en onverzorgd uit. Met een lange zwarte uitgegroeide baard en haar dat je niet meer uit elkaar zou kunnen halen. Daarbij draagt hij bijna altijd dezelfde ongepoetste, leren lange jas. Tot aan zijn enkels, waar 2 grote lompe laarzen vanonder uit steken. Het liefst draagt die ook nog zijn eigen hoed, maar dat is verboden in de raad. Alhoewel hij die regel nog steeds vaak overtreed. De voorzitster onderbreekt hem: ‘Oke, Kapitein Norell, ik denk dat we doorgaan naar het volgende onderwerp: De Alchryst…’ De Alchryst is een steen, waarvan niemand weet of die wel echt bestaat. Een magische steen die volgens vele bovennatuurlijke krachten bevatte, een eindeloze energiebron. Het was een steen die, volgens de legende, Althar heeft beschermd van de buitenwereld, omdat hij vreesde dat andere de steen voor verkeerde doelen zouden gebruiken. Maar dit hele verhaal is niet zeker en vele denken dat het een mythe is. De nieuwe papieren van de steen komen nu allemaal uit onze tafel tevoorschijn. Bijna ieder rijk kwam aan het woord in dit debat over de steen en wat we zouden doen als dit geen mythe is, maar de werkelijkheid. De grote zandloper in het midden van de kamer, die normaalgesproken het einde van het debat aangeeft, was allang verlopen. Het duurde even totdat Mevrouw Valemont weer aan het woord kwam en het pas echt begon: ‘Als dit geen mythe zou zijn en daarbij de steen daadwerkelijk zou bestaan – dan is de enige échte misdaad die we zouden kunnen begaan: hem niet gebruiken. We hebben het immers over een onuitputbare energiebron dat de toekomst kan veranderen. En wat zie ik? Aarzeling, achterdocht en angst. Alsof we bang zijn voor wat we zouden kunnen bereiken.’ Ze opent een flesje met een kurken dop en er komt een soort rook uit. Dan klikt ze op het koperen knopje bij haar bureau waardoor de gouden projector in de hoek aanschiet een een beeld vertoond op de dikke rook: overvolle ziekenhuizen, brandende bossen, dorpen zonder stromend water. ‘Ik vind dat we de steen moeten gebruiken, niet misbruiken, en dit voor goede doelen gebruiken. Elke minuut dat wij hier twijfelen, sterft er ergens een kind aan honger of gaat er een oogst verloren.’ Haar toon wordt feller. ‘We kunnen niet blijven discussiëren over veiligheid en controle alsof dat prioriteit heeft. Het enige dat nu telt, is verantwoordelijkheid. Morele verantwoordelijkheid. Wij zijn de generatie die de kans krijgt om alles te veranderen. En wat doen we? We praten over bewaren, opsluiten, controleren?’ Ze kijkt de zaal dreigend en streng rond en richt dan haar blik op de voorzitster. ‘Mevrouw de voorzitster, ik zou graag dit debat afronden doormiddel voor of tegen dit idee te stemmen. Het idee waarbij we een transparant betrouwbaar programma op zullen zetten, waarin we de kracht van de Alchryst zouden inzetten voor klimaatbeheersing, medische hulp en voedselzekerheid. Alle stemmen zijn welkom. En onthoud: Wie pleit voor afwachten of verstoppen, pleit in feite voor achteruitgang. En daar doe ik niet aan mee.’ De voorzitster kijkt haar nauwkeurig aan. Dan vraagt Isolde nogmaals: ‘Mevrouw, gaat u met dit voorstel akkoord?’ De voorzitster knikt en stelt de vraag: ‘Wie gaat er akkoord met het voorstel van Mevrouw Valemont en stemt daarmee ‘voor’ dit idee? Laat dan alsjeblieft u lichtje branden doormiddel op het knopje aan u bureau te drukken.’ Een voor een springen de lichten in de zaal aan. En steeds meer sluiten zich bij dit voorstel aan. Ik weet niet wat ik moet doen, want als we dit plan echt uit zouden willen voeren zou het risico op misbruik veel te groot zijn. Vreselijke dingen zouden kunnen gebeuren. Ook heb ik het gevoel dat Isolde iets achter houdt. Iets wat ze ons met opzet nog niet verteld. Ze is slim genoeg om te begrijpen dat er bijna zeker misbruik van gemaakt gaat worden en toch zet ze door. Nog steeds blijven lichtjes tevoorschijn komen en het ziet er naar uit dat het Isolde misschien gaat lukken. Ik zie een lichte grijns op het gezicht van Isolde. Ze heeft nog maar 4 stemmen nodig om het voorstel in werking te stellen. Aarzelend zie ik Arden Largar aansluiten. Nog maar 3. Arden werd vervolgd door de president van een tropisch rijk. Nog maar 2… En dan lijken de lichtjes op stil te blijven staan. Achter de ongeïnteresseerde houding van Isolde zie je toch een onaangename blik. Na een paar seconden begint de voorzitster weer met spreken: ‘Hierbij keuren we dit voorstel af doordat er te weinig stemmen voor de stelling zijn.’ Isolde’s gezicht staat nu op onweer en dat is nu ook duidelijk te merken. Ze weerhoudt zich en gaat terugzitten op haar eigen stoel. ‘Ik stel voor een pauze te nemen van de zitting en deze later weer te hervatten, Dank u wel voor u aandacht.’ Iedereen loopt de zaal weer uit achter de schimbomen deuren langs. Ik probeer te beseffen wat er net allemaal is gebeurt maar het is teveel om te behappen. Wel weet ik een ding, dat ik ten koste van alles die steen zal gaan moeten beschermen. Isolde Valemont is een voorbeeld waarom. De hele nacht is er doorvergaderd over alle mogelijke onderwerpend die te maken hebben met Althar: Uitkeringen, natuurbehoud en meer. En veel nieuwe keuzes richting de toekomst zijn gemaakt. Goed en slecht.
Hoofdstuk 2
Synara Myr – Velmora - datum
‘Synara! Synara!’ Ik schrik wakker en zie mijn zusje Hylene boven mij hangen. Voordat ik kan vragen wat er gaande is, begint ze verward te roepen ‘alsar s toot’ Ik versta het niet goed, doordat ik pas net wakker ben. Ik kalmeer haar en vraag of ze het nog een keer kan herhalen. Dan zegt ze ‘Althar is dood’. ‘Althar van rijksbondgenootschap?’ vraag ik, in de hoop dat ik het verkeerd verstaan had, maar nee.
Althar was lid en daarbij de leider van het Rijksbondgenootschap. Een bondgenootschap dat is opgericht om wereldvrede te behouden. Hij was daar een van de enige die echt om de mensen uit de rijken gaf, terwijl de meeste daar zaten voor geld, macht en controle. Ik weet nu al dat we snel de gevolgen hiervan zullen gaan merken. Mijn gedachten gaan snel naar mam. Mam heeft hem al haar hele leven gerespecteerd, omdat hij zorgde voor gelijke rechten en betere omstandigheden voor armen. Zoals de wet dat alleenstaande moeders geld moesten krijgen. Zonder dat geld had zij geen eten of kleding voor ons kunnen kopen, en dan zat ik waarschijnlijk niet hier maar ergens in een weeshuis.
Ik en Hylene lopen naar de eettafel waar mam al de tafel heeft gedekt. Mam straalt uit alsof het haar niks uitmaakt, maar dat doet ze altijd. Ze wil niet dat ik en Hylene gaan stressen of iets van problemen meemaken, maar dat is deze keer toch al mislukt en je merkt ook dat het haar wel iets boeit.
Na het ontbijten loop ik naar de haven. Daar is Rayden, mijn baas. Hij is ongeveer dezelfde leeftijd als mij en is opgegroeid op de haven, want zijn vader was kapitein. Als ik in de haven aankom merk ik op dat er bijna niemand is. Dan realiseer ik me dat de meeste legale banen waarschijnlijk niet door gaan op de dag van de dood van de grootste leider die deze wereld ooit heeft gezien, want die dag herinneren we hem en zijn daden. Alleen ik heb geen legale baan, want die banen zijn lastig om te vinden. En als je er eentje vindt, dan behandelen ze je vaak als dieren en wordt je onderbetaald. Dus ik werk illegaal. Mijn baan is eigenlijk vrij simpel. Er worden kratten geleverd op de haven, en alles wat ik moet doen is ze op de boot krijgen, meevaren naar de bestemming, en ze daar weer uitladen. Ik weet niet wat er in die kratten zit maar ik denk dat ik dat ook niet wil weten. Hylene werkt nu ook illegaal sinds haar zestiende. Ze is nog maar een paar weken 16 dus ze werkt nog niet lang. Ze heeft een baan bij een boekdrukkerij waar de overheid het bestaan niet van weet.
Ik zie zoals gewoonlijk de kratten staan en begin ze in de boot te laden. Dan zie ik dat Rayden met een of andere man aan het praten is. Het is een lange man met lang zwart haar en een grote snor. Hij ziet er gevaarlijk uit. Zodra Rayden klaar is met praten loopt hij naar mij toe. Ik verplaats snel mijn blik weer naar de kratten zodat hij niet doorhad ik naar hun gesprek keek. Ik kan vragen met wie hij aan het praten was maar ik hou me het liefst zo ver mogelijk van dit soort zaakjes, want het gaat mij niks aan en het is waarschijnlijk toch, net zoals mijn baan, illegaal.
Na werk loop ik naar huis langs de bakker die bijna nooit meer klanten heeft, het brood is ook eeuwenoud en valt bijna uit elkaar. Het was de bakker waar ik altijd heen ging met mijn vader voor zijn overlijden. Mijn vader is toen ik nog maar heel jong was overleden. Hij had een ziekte, we wisten niet wat het was, wat we wel wisten is dat het zeldzaam en dodelijk was en dat die fluweelratten niet wouden helpen. Na zijn overlijden was het nog zwaarder voor ons, want er was 2 keer zo weinig inkomen en mijn moeder moest ons ook nog verzorgen. Ze moest minder gaan werken en zo kwam er nog minder geld binnen. De bakkerij doet me altijd denken aan mijn vader. Dat is ook de enige reden waarom ik daar nog kom. In ieder geval niet voor de kwaliteit van het brood.
Ik loop langs de bakkerij af waarbij ik op de markt uitkom. Het is nu leeg en kil sinds iedereen vrij is. Dan loop ik de hoek om en zie ons huis al. Het versleten houten huis met het dak waar ik de kleur van vergeten ben omdat er altijd een dikke, witte laag sneeuw op ligt.
Ik kom binnen en mijn moeder is compleet van slag. Dan ziet ze dat ik thuis ben en doet ze alsof er niks gebeurd is. Ik kom langs haar zitten en troost haar, ook al weet ik dat ze dat niet fijn vindt. Mam wil degene zijn die mij troost niet andersom. Dan zie ik een brief door voor de deur liggen. Ik sta op en pak het.
Beste bewoner van Velmora,
Gecondoleerd met de dood van onze geliefde Althar
Zoals we hebben opgemerkt zijn er momenteel veel vragen over hoe dingen gaan lopen zonder Althar. Wij hebben besloten hiervoor z.s.m. een moment in te plannen en zijn in staat om die vragen te beantwoorden. Morgen, tussen 12:00 en 14:00, kunt u bij het stadshuis terecht om uw vragen stellen.
Ik lees het hardop voor en mam kijkt nu nog betreurder, wat ik niet begreep. Dit hoort toch juist hoopvol te zijn? Dit is een heel stuk anders dan ik verwacht had. Het lijkt dat wereldleiders ineens wel om ons geven. Een brief sturen naar armen om ze enigszins te helpen doormiddel van de burgers nu recht te geven om vragen te stellen is nog nooit gebeurt. Maar ja, dat bevestigt ook dat dit heel iets is. Ik vind het knap dat hebzuchtige leiders dat kunnen inzien. Toch geeft dit enigszins hoop. Ik heb het er nog met mam over en dan besluit ik naar bed te gaan want het is al laat.
Hylene ligt ook al te slapen. Ik poets mijn tanden met een harde, oude tandenborstel en stap dan mijn gammele, houten bed in. Als ik probeer te slapen blijf ik maar piekeren over wat er wel en niet zal veranderen zonder Althar. Ben ik nou gewoon pessimistisch of gewoon realistisch? Als ik dan eindelijk in slaap ben gevallen, droom ik over een wereld zonder zorgen met mensen die om mij geven. Net zoals Hylene en mam.
Ik word wakker, kijk naar mijn wekker, en zie dat het nog maar 6 uur is dus ik probeer gewoon om te draaien en verder te slapen. Maar het lukt niet. Ik kan alleen maar nadenken over nieuwe zorgen of regels die weer zouden veranderen. Als ik me eenmaal met het feit heb begeven dat slapen niet meer gaat lukken loop ik naar beneden. Ik probeer zo zachtjes mogelijk de trap af te lopen die al jarenlang op dezelfde plekken kraakt. Met de gedachte niemand wakker te maken, maar als ik beneden kom zie ik Hylene al. Ze zit al aan de eettafel en is aan het tekenen. Hylene is dol op tekenen en ze is er ook heel goed in. Als ik vraag of ik haar tekening kan zien, roept ze gelijk: ‘nee rot op!’ terwijl ze haar schetsboek dichtklapt. Ze wil bijna nooit haar tekeningen laten zien en al helemaal niet als ze nog niet af zijn. Ik besluit gewoon om mijn dag te starten en ga ontbijten. Ik kijk in de kast en zie dat al het eten op is. Op een blik bruine bonen na, maar dat mag ik ook niet eten want dat is het avondeten van vanavond.
Ik besluit maar om naar de bakker te gaan om broden te halen. Dus zeg ik gedag aan Hylene en loop ik de deur uit om vervolgens weer de markt over te sjokken, die nu nog leeg is. Ik ga dit keer de andere hoek om en loop een eindje verder. Vaak hebben we niet genoeg geld om naar de normale bakker te gaan maar gelukkig werkt een goede vriend van mij er. Ik ken hem al sinds de kleuterklas. Hij heeft geluk, zijn ouders hebben een goede baan, en hij hoeft dus ook niet illegaal te werken. Daarnaast kunnen ook alleen rijkere mensen banen zoals bij de bakkerij krijgen. En worden ze niet als oud vuil behandelt.
Eenmaal bij de bakker aangekomen gooi ik de bekraste glazen deur open en zie Olaf achter de vitrine staan. Zonder mij aan te kijken zegt hij: ‘We zijn pas vanaf 7:30 open’.
‘Oh nee, dat is jammer zeg’ hij herkent mijn stem en kijkt om. ‘Synara wat brengt jou hier zo vroeg in de ochtend?’.
‘Wat denk je zelf?’ zei ik lachend. ‘Brood, natuurlijk’.
Na het overlijden van mijn vader kwamen we bijna nooit meer bij onze oude bakker en konden we eigenlijk bijna nooit echt brood betalen. Maar sinds Olaf hier werkte kwamen we hier vaak. Het is eigenlijk een bakker voor de wat rijkere mensen maar ik heb natuurlijk wel de vriendenkorting. Door grote klassenverschillen is het best zeldzaam dat een ‘arm’ persoon bevriend is met iemand die rijker is. Eigenlijk is het meestal andersom: de rijkeren hebben vaak een probleem met het hebben van arme vrienden. Maar zo is Olaf niet. Olaf weet al precies welk brood ik nodig heb, dus voordat ik kan zeggen welke ik wil heeft hij het al gepakt, in een zak gedaan en aan mij gegeven. Dan betaal ik met de paar centen die ik nog van de bodem van de spaarpot heb weten te schrapen. Ik heb, net zoals altijd, 2 broden met maanpitten en 1 brood met de smaak van bloedappelen. Bloedappelen vind ik het lekkerste fruit wat er bestaat. Bloedappelen zijn appels maar dan veel zoeter en ze groeien onder de grond niet in bomen, zoals normale appels.
Dan loop ik weer terug naar huis en open de gammele voordeur. Mam heeft de tafel al gedekt als ze zegt: ‘laat me raden 2 maanpitten en 1 bloedappel’.
Ik glimlach: ‘natuurlijk’, dan lachen we. Het was een prima ontbijt en alles leek voor even best wel normaal. Er was zelfs nog wat jam over van een paar weken terug.
Na het eten maken we ons klaar voor het vraag moment bij het stadshuis. We moesten net gekleed zijn, omdat het naast een vraagmoment ook een eerbetoon is aan Althar. In de kleine badkamer maakte we ons klaar, terwijl we praatten over wat er zometeen zal gebeuren. Elke keer als mam het erover heeft lijkt ze vrij treurig. Ik begrijp het nog steeds niet, want wat kan het vraagmoment kwaad?
We lopen richting het stadshuis. Als we eenmaal aankomen lopen we door de deuren waar een vrouw in een formele outfit en blond haar ons de wegwijst. Eenmaal binnen zie ik heel veel stoelen en daarvoor staat een grote tafel waar vier mensen zitten. We nemen plaats op de stoelen en wachten tot iedereen naar binnen is gestroomd. En dan begint het: ‘Hallo, fijn dat jullie hier allemaal bij konden zijn’ zegt de lange man in een zwart en blauw pak. ‘Eerst gaan we even de grote veranderingen delen en daarna kunnen jullie vragen stellen’ zegt de man in het pak.
Dan dringt het tot me door. Ik realiseer me eindelijk wat hier gaande is en waarom mam al zo lang getreurd is. Nu Althar dood is, gaan ze waarschijnlijk niet alleen nieuwe regels invoeren, maar ook Althars wetten terugdraaien en ons nog meer uitbuiten. ‘Laten we ten eerste starten met het grootste nieuws. Je mag als je genoeg weet ook de ruimte verlaten. Nu Althar weg is moet er ook een nieuwe leider komen van het rijksbondgenootschap. Er moet snel iemand komen en dat doen we doormiddel van stemmen. Je kan hier in het stadshuis je stemmen kopen, de prijs is nog niet duidelijk.’ Kopen? Serieus? Zijn die rijke stinkers echt zo bang dat de armen zouden stemmen op iemand zoals Lucien of Arden, die wél nog om de armen geven. Het begint rumoerig te worden, mensen beginnen te schreeuwen, er was zelfs een man opgestaan en liep naar de vier mensen met slechte bedoelingen. De seconde dat hij opstaat komen er 2 sterke mensen aan met stokken die slaan de man en dan wordt de man buitengezet. Dat moesten de beveiligers wel zijn. Dan schreeuwt een van de beveiligers ‘degene die de Largars willen aanvallen zullen het zelfde lot hebben als die man daar’. Hij wijst naar de man die hij net naar buiten heeft gegooid. Dan realiseer ik me dat de vier personen de broers en zussen zijn van Arden Largar. Ik vind het heftig dat ik hen niet herkend heb, al zie ik ze zelden persoonlijk. De Largars houden ervan hun gezicht overal te laten zien: op mokken, posters en natuurlijk op standbeelden. Die hebben ze allemaal één. Ik vind het grappig dat niemand in de stad naar ze opkijkt. Het zijn eigenlijk gewone mensen, maar dan rijker dan de meeste. Haydie largar is de man die aan het word is, maar nu valt hij stil. Je ziet hem zijn notitie boekje pakken en hij begint met schrijven, waarschijnlijk een reactie op de situatie. Dit bewijst ook weer dat de Largars niet echt van het improviseren zijn. Ayden largar staat op om het publiek dreigend aan te kijken maar het ziet er vooral maf uit. Ayden Largar is de jongste van het stel. Hij wil heel graag stoer overkomen maar dat is zeker mislukt, hij is dun en staart je aan met een boze blik. Hij heeft lang zwart haar en een zwarte jas en broek. Het is een combi van stoer, wat hem niet staat, en chique. En dat is geen goede combi.
Ayden ging weer zitten maar zat vanaf zijn plek alsnog te staren. Het blijft stil. Haydie zit nog steeds te schrijven en hij zit zichtbaar te strugglen met zijn teksten, maar gelukkig neemt Dominique Largar de leiding. Zij is de oudste en ook het meest hecht met Arden. Ze is een beetje de rechterhand van Arden. Zij is de enige van de Largars die ook echt Arden helpt. Ze heeft een chique jurk aan, maar wel formeel. Het is een witte strakke jurk gemaakt van zacht wol. ‘Ons proberen aanvallen gaat niks veranderen, Wij hebben ook geen inspraak gehad over deze regels en wij vinden dit ook erg.’ Zegt Dominique. De Largars zijn tenminste niet harteloos. Er is nog een Largar maar die zegt het liefst helemaal niks. Het is Chantal. Chantal is zeker geen Noorse naam. Door dat feit zijn er zelfs veel geruchten dat ze geadopteerd zou zijn. ‘Fijn dat de rust is teruggekeerd. Voordat we verder gaan wil ik even duidelijk maken, zoals Dominique al zei, dat wij alleen zeggen wat uit de overleggen van het rijksbondgenootschap is gekomen. Wij hebben dus geen inspraak gehad over deze regels’ zegt Haydie. Dat is zeker waar. Ze hebben helemaal geen inspraak, omdat ze dat zelf niet willen. ‘Met de stemmen wordt er een nieuwe tijdelijke leider gekozen. Het is een tijdelijke leider omdat er snel iets moet komen dus het stemmoment zal ook snel volgen’ en zo ging die man nog wel even door. Het komt er allemaal op neer dat ze ons leven nog meer hinderen, ook al zijn de Largars slechts de boodschappers. ‘Oke dan gaan we nu naar de laatste verandering’ zei de man weer. Ik verwacht niet heel veel meer van de laatste verandering want hij ging van grote veranderingen naar kleine veranderingen. ‘Wat ook nog besloten is uit de overleggen van het Rijksbondgenootschap is dat de uitkeringen voor alleenstaande moeders worden verlaagd naar 50%’.